Rb. Breda 6 mei 2009, ECLI:NL:RBBRE:2009:BI4296

Belanghebbende is als bestuurder aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gelaten loonheffingen 2004. In de beschikking aansprakelijkstelling is door de ontvanger onweersproken gesteld dat sprake is geweest van onjuiste aangiften loonheffingen, het niet betalen van de verschuldigde bedragen op aangifte, het voordurend te laat indienen van de vereiste aangiften en het niet correct voeren van een deugdelijke administratie. Deze vaststelling staat in de weg aan een geslaagd beroep op artikel 7, tweede lid van het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990, nu dit moet worden aangemerkt als opzet of grove schuld in de sfeer van de meldingsregeling. Een rechtsgeldige melding van betalingsonmacht ter zake van de naheffingsaanslag was dan ook niet meer mogelijk. De stelling van belanghebbende dat over het jaar 2004 al een betalingsregeling liep zodat een nadere melding van betalingsonmacht niet meer nodig was, wordt door de rechtbank verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank brengt een redelijke toepassing van het recht met zich mee, dat een eerdere geldige en nog lopende melding betalingsonmacht, of het bestaan van een betalingsregeling, alleen dan de verdere verplichting tot melding van betalingsonmacht met betrekking tot latere tijdvakken doet vervallen, indien bij het lichaam geen sprake is van opzet of grove schuld met betrekking tot de eventuele onjuistheid van de over die latere tijdvakken ingediende of nog in te dienen aangiften. Van een dergelijke situatie van afwezigheid van opzet of grove schuld is geen sprake.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen