Rb. Breda 22 januari 2009, ECLI:NL:RBBRE:2009:BH1779

Belanghebbende heeft in 2007 incidenteel dividend (€ 150.000) genoten uit de vennootschap waarin hij alle aandelen houdt. Over de jaren 2001 tot en met 2006 heeft belanghebbende geen inkomen uit aanmerkelijk belang genoten. Conform belanghebbendes verzoek is over 2007 een voorlopige aanslag IB/PH opgelegd. Over het jaar 2008 is eveneens een voorlopige aanslag opgelegd. Deze aanslag is gebaseerd op de voorlopige aanslag over 2007. Belanghebbende maakt bezwaar tegen de voorlopige aanslag over 2008 omdat hij over dat jaar geen inkomen uit aanmerkelijk belang zal genieten. Naar aanleiding van dat bezwaar is de voorlopige aanslag 2008 verminderd tot nihil. In geschil is of het verzoek om proceskostenvergoeding terecht is afgewezen. De kosten van de bezwaarfase worden vergoed voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid. De rechtbank overweegt dat de inspecteur bij het opleggen van een voorlopige aanslag over een zekere marge beschikt. De rechtbank oordeelt op basis van het dividendverleden, het feit dat voor 2007 een eenmalige verlaging van het a.b-tarief gold en het feit dat het bedrag van de voorlopige aanslag in absolute zin aanzienlijk is, dat de inspecteur niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van hem onder deze omstandigheden mag worden verwacht, zodat de eerdergenoemde marge in belanghebbendes geval is overschreden. Volgt proceskostenveroordeling.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen