Rb. Breda 20 november 2008, ECLI:NL:RBBRE:2008:BG6333

Erflater heeft tot zijn erfgenamen benoemd zijn weduwe en Y, belanghebbende. De weduwe is benoemd tot executeur-testamentair. Y is de buitenechtelijke dochter van erflater. Tijdens zijn leven heeft erflater Y niet als zijn dochter erkend. Y heeft altijd bij haar moeder gewoond. De aanslag successierecht is opgelegd met toepassing van tariefgroep III. Met een beroep op artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens (EVRM) verzoekt belanghebbende om toepassing van tariefgroep I. De rechtbank overweegt in een tussenuitspraak dat er weliswaar regelmatig enig contact was tussen erflater en Y, maar dat dat contact niet zodanig was dat gesproken kan worden van “nauwe persoonlijke betrekkingen” of van “family life” in de zin van artikel 8 EVRM. De zaak wordt aangehouden zodat belanghebbende alsnog een vaderschapsactie kan starten. Voorts oordeelt de rechtbank dat de door de weduwe ingediende aangifte successierecht, die Y niet kent, tot de gedingstukken behoort en door de inspecteur moet worden overgelegd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen