Rb. Breda 20 november 2008, ECLI:NL:RBBRE:2008:BG6295

Erflaatster heeft tijdens leven bedragen geschonken aan haar beide kinderen in de vorm van onderhandse schuldigerkenningen. Van deze schenkingen zijn geen notariële akten opgemaakt. Ongeveer 2/3e gedeelte van de schuldigerkende bedragen is tijdens leven door de erflaatster afgelost. De inspecteur merkt de nog openstaande schuldigerkenningen aan als schenkingen ter zake des doods zoals bedoeld in artikel 7:177, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en corrigeert de aftrek van deze schulden op de nalatenschap. Nu in de onderhandse akten niets is bepaald over de opeisbaarheid van de schuldigerkende bedragen, partijen aan een groot deel van deze schenkingen uitvoering hebben gegeven vóór het overlijden van erflaatster en de gedragingen van partijen dienaangaande ook niet in een andere richting wijzen, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van schenkingen ter zake des doods. Op grond van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek geldt dit ook voor de schenkingen die hebben plaatsgevonden vóór 1 januari 2003.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen