Rb. Breda 9 oktober 2008, ECLI:NL:RBBRE:2008:BG5082
Belanghebbende heeft een vergunning voor een accijnsgoederenplaats verkregen. De beschikking doorlopende zekerheid wordt door de inspecteur verhoogd van € 407.500 naar € 2.559.500 en de ontvanger ziet geen reden die te matigen. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de artikelen 56 en 59 van de Wet het de inspecteur is die het bedrag van de zekerheid vaststelt en de ontvanger enkel een beslissingsbevoegdheid heeft met betrekking tot de door de belastingplichtige gekozen vorm van de zekerheid. Door de zekerheid op een andere manier vast te stellen miskent de uitvoering door de belastingdienst de rechtsbescherming die is gelegen in de bezwaarmogelijkheid die tegen de zekerheidsbeschikking van de inspecteur open staat en is de hoogte van de zekerheidsstelling reeds op deze grond in strijd met de wet en dermate onzorgvuldig tot stand gekomen dat die vaststelling niet kan dienen als uitgangspunt van de beoordeling in beroep. De rechtbank legt de bewijslast van de hoogte van de zekerheid bij de inspecteur en stelt dat deze, gezien alle feiten en omstandigheden, geen hogere zekerheidstelling aannemelijk heeft gemaakt dan € 500.000.
De uitspraak op rechtspraak.nl