Rb. Breda 22 mei 2008, ECLI:NL:RBBRE:2008:BD5839

Verweerder heeft aan belanghebbende een bouwvergunning verleend voor de bouw van een kantorencomplex. Aan belanghebbende zijn ter zake hiervan leges in rekening gebracht. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de nota leges. Verweerder heeft dit aangemerkt en behandeld als een verzoek om restitutie van de in rekening gebrachte leges. Het verzoek om restitutie is door verweerder afgewezen. Belanghebbende maakt met dagtekening 15 maart 2005 bezwaar. Verweerder beslist op 7 november 2005 voor wat betreft het bezwaar tegen de hoogte van de nota leges en het bezwaar tegen de afwijzing van het restitutieverzoek dat het niet-ontvankelijk is wegens termijnoverschrijding. Op 9 juni 2006 verklaart verweerder het bezwaar tegen de afwijzing van het restitutieverzoek ongegrond. De nota’s zijn daarbij gehandhaafd. De rechtbank is van oordeel dat de tekst van de uitspraak op bezwaar van 7 november 2005 redelijkerwijs moet worden opgevat als zijnde de uitspraak op bezwaar betreffende het verzoek om restitutie. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat dat bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard door verweerder. De tweede uitspraak op bezwaar van 9 juni 2006 mist daarom iedere betekenis. In beroep is nog slechts in geschil of het restitutieverzoek terecht is afgewezen. Bij de aanvraag moet aangetoond worden dat dagelijks toezicht op de bouw plaatsvindt door een opzichter die in dienst is van degene die de directie voerde, niet zijnde de aannemer. De bewijslast hiervan rust op belanghebbende. Indien aan die bewijslast is voldaan rust vervolgens op verweerder de bewijslast dat later is gebleken dat gedurende het bouwproces geen dagelijks toezicht overeenkomstig het vorenstaande plaatsvindt. De rechtbank is van oordeel dat de enkele getuigenverklaring van de architect dat hij niet elke dag op de bouw aanwezig was, voor dat bewijs onvoldoende is. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gebleken dat sprake is geweest van een voldoende toezicht op de bouw door een opzichter die in dienst is van degene die de directie voerde, niet zijnde de aannemer. Voor een dagelijks toezicht is niet vereist dat de toezichthouder feitelijk dagelijks op de bouw aanwezig is geweest maar voldoende is dat op de bouw een zodanig toezicht is dat het gebouw voldoet aan de in de vergunning gestelde voorwaarden en de veiligheid tijdens de bouw in acht wordt genomen. Dit toezicht kan mede bestaan uit activiteiten ten behoeve van het coördineren van het bouwproces. Het restitutieverzoek is ten onrechte afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen