Rb. Breda 4 maart 2008, ECLI:NL:RBBRE:2008:BC9137

Belanghebbende en haar echtgenoot hebben samen een BV opgericht met ruisende inbreng van de door hen voorheen gedreven onderneming. In verband met de overdracht van de onderneming aan de BV zijn op de voet van de artikelen 3.128 en 3.129 van de Wet inkomstenbelasting 2001 lijfrenten bedongen bij de BV. De bedragen die belanghebbende en haar echtgenoot moesten bijbetalen voor de lijfrente (in totaal € 60.000) hebben zij geleend van de ABN AMRO. Tien dagen na ontvangst heeft de BV het bedrag van € 60.000 aan haar werkmaatschappij geleend, die het op haar beurt diezelfde dag heeft doorgeleend aan belanghebbende en haar echtgenoot. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben daarmee hun schuld bij ABNAMRO afgelost. De rechtbank is van oordeel dat de feiten tot geen andere conclusie leiden dan dat sprake was van een vooropgezet kasrondje als bedoeld in het Besluit van de staatssecretaris van 28 december 2004, nummer CPP2004/633M, onderdeel 3.2.3 onder c, nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de onttrekking van het bedrag aan de BV binnen tien dagen na ontvangst daarvan op zakelijke overwegingen berustte.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen