Rb. Breda 28 februari 2008, ECLI:NL:RBBRE:2008:BC6064
Elk van de twee vennoten brengt zijn aandeel in de vof ruisend in een persoonlijke holding in. Daarbij bedingen zij ieder een lijfrente. Vervolgens laten zij de onderneming, exclusief de onroerende zaak, uitzakken in een gezamenlijke werkmaatschappij. Deze uitzak geschiedt tegen uitreiking van aandelenkapitaal en creditering. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen recht op aftrek van lijfrente heeft, nu niet is voldaan aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het beroep op dwaling niet slaagt.
De uitspraak op rechtspraak.nl