Rb. Breda 29 oktober 2007, ECLI:NL:RBBRE:2007:BB8343

Dranken die zijn bereid op basis van door gegisting van fruit ontstane alcohol - een soort vlakke, witte vruchtenwijn - ontlenen volgens de rechtbank hun wezenlijke karakter aan het basisingrediënt vruchtenwijn en behouden dit wezenlijke karakter ook na de toevoeging van gedistilleerde alcohol, geur-, smaakstoffen en eventueel room. Voor wat betreft de toevoeging van gedistilleerde alcohol acht de rechtbank daarbij van belang dat deze toevoeging in beperkte mate geschiedt en dat in het eindproduct het gehalte gedistilleerde alcohol lager blijft dan het gehalte van de (door gegisting ontstane) alcohol die reeds aanwezig was in het tussenproduct. Tevens acht de rechtbank van belang dat een medewerker van het Douanelaboratorium ter zitting heeft verklaard dat het karakter van de vruchtenwijn in het eindproduct herkenbaar blijft. Voor de accijnsheffing moeten de goederen worden aangemerkt als “niet-mousserende tussenproducten” als bedoeld in artikel 11b Wet op de Accijns. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen