Rb. Breda 26 september 2007, ECLI:NL:RBBRE:2007:BB7060
Broer en zus vorderen nakoming van de tussen hen en vader gesloten koopovereenkomst ter zake twee percelen grond, voordat tot verdeling van de nalatenschappen wordt overgegaan. Andere erfgenamen achten de koopprijs zodanig laag dat sprake is van een gift, zodat moeder toestemming had moeten geven voor de verkoop conform artikel 1:88 BW. Gelet op de bedoelingen van partijen bij het sluiten van de overeenkomst is naar het oordeel van de rechtbank aan de verkoop van de percelen voor een koopprijs van fl. 40,= per m², de ontbindende voorwaarde verbonden dat broer en zus van de koop zouden kunnen afzien indien de bij de verdeling van de nalatenschap in te brengen schenking te hoog zou zijn als gevolg van een hoge door de benoemde taxateurs vast te stellen taxatiewaarde. De taxateurs schatten de waarde van de grond op fl. 285,87 per m². De rechtbank acht deze taxatie juist, aangezien wel sprake was van een reëel vooruitzicht op wijziging van het bestemmingsplan en het verkrijgen van een bouwvergunning. Er is derhalve sprake van een gift. Het vermogen van moeder is enkele maanden voor het overlijden van vader onder bewind gesteld. Voor het tot stand komen van een geldige koopovereenkomst was toestemming van moeder dan wel de bewindvoerder nodig. Het is niet noodzakelijk om in een procedure strekkende tot verdeling van een gemeenschap een reconventionele vordering in te stellen. Er is geen sprake van een nietige verdeling als de in reconventie gevorderde wijze van verdeling wordt gevolgd omdat de erfgenaam die verstek heeft laten gaan in de conventie is betrokken. Eisers in reconventie zijn wel ontvankelijk in hun vordering. Er is door de tussen raadslieden gevoerde correspondentie geen vaststellingsovereenkomst tussen partijen tot stand gekomen.
De uitspraak op rechtspraak.nl