Rb. Breda 9 juli 2007, ECLI:NL:RBBRE:2007:BB0738

Belanghebbende en zijn echtgenote oefenen in maatschapsverband een melkveebedrijf uit. In 2001 hebben zij hun melkquotum aan een derde verkocht. In 2002 hebben belanghebbende en zijn echtgenote een BV opgericht, welke BV per 1 januari 2003 tot de maatschap is toegetreden. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben ieder aftrek van lijfrentepremie geclaimd in verband met de overdracht van (een gedeelte van) de onderneming aan deze BV. Deze lijfrentepremie is onder meer gebaseerd op de vrijval van de herinvesteringsreserve. De rechtbank is van oordeel dat de verkoop van het melkquotum tot staking van de onderneming leidt, zodat er geen herinvesteringsreserve gevormd kan worden. Aftrek van lijfrentepremie is dan ook niet aan de orde. Een ander oordeel zou ook niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben gezien de verkoop van het melkquotum namelijk geen onderneming in de BV ingebracht, maar de geldelijke vergoeding in verband met deze verkoop.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen