Rb. Breda 7 juni 2007, ECLI:NL:RBBRE:2007:BA8422

Directeur-grootaandeelhouder, woonachtig in België, en werkzaam als directeur voor vennootschappen in België, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Nederland, is in Nederland over een deel van zijn fictief salaris premie volksverzekeringen verschuldigd. Belanghebbende (X), woont in België en is als directeur werkzaam voor zijn vennootschappen in België, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Nederland. Hij heeft voor die werkzaamheden geen salaris bedongen. De inspecteur heeft belanghebbende, als buitenlands belastingplichtige, aangeslagen voor premies volksverzekeringen waarbij het premie-inkomen is bepaald met inachtneming van zogenaamd fictief loon ex art. 12a LB (wettekst 1997/1998).De bevoegde organen van België en Nederland hebben de werkzaamheden van X gekwalificeerd als respectievelijk werkzaamheden door een zelfstandige (België) en werkzaamheden verricht in loondienst (Nederland). De bevoegde organen in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk hebben aangegeven de werkzaamheden niet te kwalificeren, mogelijk omdat de werkzaamheden om niet zijn verricht. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht premie volksverzekeringen heeft geheven. Onder verwijzing naar arresten van het Hof van Justitie (Fitzwilliam en de Jaeck) mag de Nederlandse belastingrechter namelijk het standpunt inzake kwalificatie van werkzaamheden van buitenlandse bevoegde organen niet toetsen en staat het de rechtbank niet vrij om zelfstandig de werkzaamheden verricht buiten het Nederlands grondgebied te kwalificeren. Op grond van de kwalificatie van werkzaamheden in België en Nederland kan de inspecteur in Nederland, gezien artikel 14 quater, onderdeel b in combinatie met bijlage VII van de Verordening 1408/71 premie volksverzekeringen heffen. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen