Rb. Breda 1 mei 2007, ECLI:NL:RBBRE:2007:BA7878
De rechtbank is van oordeel dat het bij de inbreng van belanghebbendes onderneming in de maatschap met de BV niet reeds vaststond dat de onderneming zou worden geliquideerd. Het enkele voornemen tot bedrijfsbeëindiging en het treffen van voorbereidingshandelingen zijn namelijk niet gelijk aan een daadwerkelijke bedrijfsbeëindiging. Belanghebbende mocht voor de bij de inbreng gerealiseerde stakingswinst derhalve fiscaal aftrekbare lijfrentes bedingen bij de BV, met inachtneming van het in artikel 3.129, lid 2, letter c van de Wet IB 2001 genoemde maximum.
De uitspraak op rechtspraak.nl