Rb. Breda 3 april 2007, ECLI:NL:RBBRE:2007:BA7168

Belanghebbende exploiteerde vanaf 1 januari 1997, met het oog op een toekomstige overname, in maatschapverband een varkenshouderij. In de overeenkomst was onder andere bepaald dat de maatschap van rechtswege zou eindigen op 31 december 2002 en de maat van belanghebbende per die datum het recht had de varkenshouderij over te nemen. De overname heeft plaatsgevonden bij akte van levering de dato 12 december 2003. Belanghebbende heeft de stakingswinst aangegeven in zijn aangifte over het jaar 2002 en daarbij aftrek geclaimd van lijfrentepremie op grond van artikel 3.127 en 3.129 van de Wet IB 2001, welke aftrek deels door de inspecteur is geweigerd. Belanghebbende heeft zich vervolgens onder meer op het standpunt gesteld dat de stakingswinst belastbaar is in 2003 en dat de lijfrentepremie ook in dat jaar aftrekbaar is. Tussen partijen is primair in geschil in welk jaar de stakingswinst moet worden verantwoord, in het jaar 2002 (standpunt inspecteur) of in het jaar 2003 (standpunt belanghebbende). De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 18 juni 1952, B nummer 9242, dat belanghebbende in de onderhavige situatie de keuze had om de stakingswinst in het jaar 2003, het jaar waarin de overdracht daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, in aanmerking te nemen. De andersluidende opvatting van de inspecteur vindt in het arrest geen steun en kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gevolgd. Alsdan is tussen partijen niet in geschil dat het belastbaar inkomen uit werk en woning moet worden vastgesteld overeenkomstig de conclusie van belanghebbende.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen