Rb. Breda 22 maart 2007, ECLI:NL:RBBRE:2007:BA4927

"De voorperiode waarin de digra van BV X ten behoeve van BV X i.o. arbeid heeft verricht kan als diensttijd bij de bepaling van de hoogte van de pensioenvoorziening in aanmerking genomen worden. BV X is op 30 november 2001 door Y opgericht. De voorperiode heeft geduurd vanaf 1 januari 1996 tot datum oprichting BV X. De pensioenvoorziening ten behoeve van Y (directeur en enig aandeelhouder) is berekend met in achtneming van een diensttijd die aanvangt op 1 januari 1996 (aanvang voorperiode). In geschil is of de pensioenlast die in het jaar 2001 is genomen onzakelijk en niet aftrekbaar van de winst van BV X is voorzover deze is gebaseerd op de dienstjaren die zijn toegerekend aan de voorperiode. De rechtbank is van oordeel dat in de op 30 november 2001 opgemaakte pensioenovereenkomst werkgever (BV X) en werknemer (Y) overeengekomen zijn dat de diensttijd voor de berekening van de pensioenvoorziening zal aanvangen op 1 januari 1996. Gelet op de arresten van de Hoge Raad van 7 mei 1980 (BNB 1980/274) en 1 juli 1981 (BNB 1981/247) is de toegezegde diensttijd vanaf datum aanvang voorperiode in de vennootschapsbelasting fiscaal aanvaardbaar omdat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de totale abeidsbeloning, inclusief de toegezegde pensioenrechten, dermate hoog zijn dat geconcludeerd moet worden dat de lasten geheel of ten dele zijn genomen ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van Y. Dat uit het bepaalde in artikel 10a Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 zou voortvloeien dat een zuivere pensioenregeling niet mogelijk is als een voorperiode meetelt als diensttijd doet aan het voorgaande niet af. Beroep gegrond"

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen