Rb. Breda 13 december 2006, ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ7096
SU Vpb ongegrond Belanghebbende stelt in 2001 een vordering op een dochtermaatschappij binnen fiscale eenheid te hebben verkregen. Per 1 januari 2002 is betreffende dochter uit de fiscale eenheid ontvoegd en in mei 2002 is de dochter failliet gegaan. Tussen partijen is in geschil of de vordering bestond en of belanghebbende deze ten laste van haar winst mocht afwaarderen. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de vordering bestond.
De uitspraak op rechtspraak.nl