Rb. Breda 20 november 2006, ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ4976
Belanghebbende had een grote vrijheid bij het inrichten van haar werkzaamheden, echter de opdrachtgever hield terzake de eindverantwoordelijkheid en behield ten opzichte van belanghebbende ruimte voor het uitoefenen van gezag. De omstandigheid dat de opdrachtgever het gezag niet of zelden hoefde uit te oefenen door de deskundigheid van belanghebbende neemt niet weg dat er wel een gezagsverhouding bestond. De werkzaamheden van belanghebbende zijn verricht in privaatrechtelijke dienstbetrekking en de inkomsten zijn aan te merken als loon uit dienstbetrekking. Belanghebbende beroept zich voorts op schending van het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar de fiscale behandeling van wethouders en gedeputeerden en het daaromtrent gepubliceerde Besluit van de staatssecretaris. Dit beroep faalt eveneens.
De uitspraak op rechtspraak.nl