Rb. Breda 21 augustus 2006, ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ3456

Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat de Dagloonregels IWS een voorlopig karakter hebben. Een redelijke wetstoepassing brengt dus mee dat deze regels niet onverkort kunnen worden toegepast, indien en voor zover zij tot door de regelgever kennelijk niet beoogde, onaanvaardbare resultaten leiden. Daarvan is hier sprake. Eiser heeft deelgenomen aan een georganiseerde staking, waarvoor hij een uitkering uit de stakingskas heeft ontvangen. Met het deelnemen aan deze staking heeft hij beoogd zijn werkloosheid te voorkomen. Het dan op grond van artikel 10 van de Dagloonregels IWS toepassen van een korting op de werkloosheidsuitkering leidt tot een onaanvaardbaar resultaat, mede gelet op het in artikel 6 van het ESH beschermde stakingsrecht. Dat sprake is van een geringe verlaging van het dagloon leidt niet tot een ander oordeel, mede omdat deze verlaging zich over een langere periode kan uitstrekken. Reeds hierom is ten onrechte artikel 10 van de Dagloonregels IWS toegepast. De rechtbank kan hier in het midden laten of sprake is van een geoorloofde beperking van het stakingsrecht als bedoeld in artikel 31 van het ESH.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen