Rb. Breda 31 augustus 2006, ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ1010
Rechtbank vernietigt de conserverende aanslag die is opgelegd over de waarde van de pensioenrechten van een Nederlander die naar Korea is geëmigreerd. De Rechtbank is van oordeel dat de conserverende aanslag en de voorwaarden waaronder daarvoor uitstel van betaling wordt verleend als één onverbrekelijk geheel moeten worden beschouwd. Nu op grond van de voorwaarden waaronder uitstel wordt verleend invordering plaatsvindt indien het pensioen wordt vervreemd, afgekocht of anderszins niet regulier wordt afgewikkeld en een dergelijke situatie zich ten tijde van de emigratie van belanghebbende nog niet heeft voorgedaan, kan de conserverende aanslag feitelijk slechts leiden tot belastingheffing ter zake van het uitkeren van het pensioen aan de belanghebbende na diens emigratie naar Korea indien zich zo’n niet reguliere afwikkeling van het pensioen voordoet. Het is de rechtbank niet gebleken dat met Korea over de invoering van de belastingheffing over (aanspraken op) pensioen van inwoners van dat land is overlegd. Derhalve leidt de wettelijke regeling ertoe dat Nederland eenzijdig het heffingsrecht over niet reguliere pensioenuitkeringen, te weten de afkoopsom terzake van het pensioenrecht, toekomend aan inwoners van Korea - gedeeltelijk - naar zich toetrekt. Onder deze omstandigheden handelt Nederland door het opleggen van de onderhavige aanslag naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de bepalingen van het Verdrag en met de goede trouw die Nederland, mede krachtens de aangehaalde bepalingen uit het Verdrag van Wenen, jegens de verdragspartner is verschuldigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl