Rb. Breda 30 mei 2006, ECLI:NL:RBBRE:2006:AX6250

Het aantreffen van één hoofdhaar van verdachte in een auto van de slachtoffers betrokken bij een liquidatie is onvoldoende voor een bewezenverklaring nu de mogelijkheid van een zogenaamde 'secondary transfer' niet uitgesloten kan worden. Voorts is bij gebreke van steunbewijs geen concrete betrokkenheid en/of handeling aan verdachte toe te schrijven. . Verdachte wordt verweten betrokken te zijn geweest bij een ripdeal waarbij twee personen zijn overvallen en gedood. Vervolgens worden twee toevallig passerende broers omgebracht omdat zij getuige waren van de moorden. De officier van justitie baseert zijn bewijsvoering in hoofdzaak op: ? het aantreffen van een haar (met mitochondriaal DNA) in de auto van een van degene die beroofd en vermoord zijn en een haar (met autosomaal DNA) in de auto van de omgebrachte broers. ? getuigenverklaringen de auditu. ? leugenachtige verklaringen van verdachte. De rechtbank acht de getuigenverklaringen te wisselend en onvoldoende voor een bijdrage aan de bewezenverklaring. De betreffende verklaringen van verdachte zijn niet als kennelijk leugenachtig te kwalificeren. De haar met een mitochondriaal DNA is onvoldoende om aan verdachte te koppelen. Resteert het aantreffen van een enkele haar die mede op grond van een niet uit te sluiten overdracht via een andere persoon onvoldoende is voor een bewijsvoering.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen