Rb. Breda 20 mei 2005, ECLI:NL:RBBRE:2005:AT5925
Boete opgelegd in verband met te laat indienen reïntegratieplan voor een arbeidsongeschikte werknemer. Tegen ongegrondverklaring van de bezwaren (29 november 2001) is geen beroep ingesteld. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft (uitspraak 6 november 2001, zie o.a. USZ 2002, 19) geoordeeld dat het Besluit boete ZW/WAO werkgevers niet in overeenstemming is met de wet en buiten toepassing dient te worden gelaten. Eiseres heeft verweerder verzocht terug te komen op het eerdere besluit. Verweerder heeft dat geweigerd. Met de CRvB-uitspraak is komen vast te staan dat de bestuurlijke boete zonder de vereiste wettelijke grondslag - en dus in strijd met het legaliteitsbeginsel - is opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is dat een dermate fundamenteel en zwaarwegend gebrek dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten de aanvraag tot herziening af te wijzen op de grond dat er geen sprake is van evidente onjuistheid van het eerdere besluit. Zoals het reguliere strafrecht waarborgen kent om in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraken, waarbij ten onrechte een strafsanctie is opgelegd, te redresseren, zo dient een vergelijkbare waarborg te bestaan voor een door een bestuursorgaan bij besluit opgelegde bestuursrechtelijke boete waarvoor achteraf bezien een wettelijke grondslag ontbreekt, ook al heeft dat besluit inmiddels formele rechtskracht. Immers, de bestuurlijke boete is ook als strafsanctie te kwalificeren. In zoverre is uitzondering geboden op de regel dat een aanvrager tot herziening in beginsel kan worden tegengeworpen niet de gewone rechtsmiddelen tegen een besluit te hebben benut.
De uitspraak op rechtspraak.nl