Rb. Breda 6 april 2001, ECLI:NL:RBBRE:2001:AB2261

Art. 16.3 Anw maakt geen uitzondering op de herleving van het recht op uitkering voor de gevallen waarin de gezamenlijke huishouding eindigt door overlijden. Eiseres had sedert 1 april 1990, terzake van het overlijden van haar toenmalige echtgenoot, een AWW-uitkering, welke per 1 juli 1996 is omgezet in een Anw-uitkering. Met ingang van 31 juli 1999 eindigt laatstgenoemd recht in verband met haar huwelijk met de heer B. Op 16 augustus 1999 overlijdt de heer B. Bij besluit van 15 december 1999 wordt eiseres een inkomensafhankelijke uitkering krachtens de Anw toegekend. Eiseres is echter van mening dat haar oude Anw-recht herleeft. Rechtbank: Volgens verweerder is bepalend of de nabestaande zelf besluit de gezamenlijke huishouding te beëindigen, dan wel de gezamenlijke huishouding eindigt door overlijden. In het laatste geval kan het recht op uitkering volgens verweerder niet herleven, maar ontstaat in beginsel een nieuw recht op uitkering. Eiseres meent dat het recht op uitkering op grond van art. 16.3 Anw ook in geval van overlijden herleeft. De rechtbank stelt voorop dat in art. 16.3 Anw geen uitzondering op de herleving van het recht op uitkering wordt gemaakt voor de gevallen waarin de gezamenlijke huishouding eindigt door overlijden. Evenmin blijkt uit de tekst van dit artikellid dat de herleving van het recht op uitkering is beperkt tot de gevallen waarin de gezamenlijke huishouding wordt beëindigd door een wilsbesluit van de nabestaande. Verweerder kan worden toegegeven dat zijn uitleg van het artikellid aansluit bij MvT bij de wet tot Wijziging van de Anw in verband met gebleken onbillijkheden (Tweede Kamer, 1997-1998, 25 900, nr. 3), althans bij de in paragraaf 2.2 gegeven voorbeelden. Echter, in deze paragraaf wordt, zoals eiseres terecht heeft opgemerkt, aan het eind het volgende overwogen: "Een dergelijke herlevingperiode geldt niet alleen voor de hierboven genoemde voorbeelden, maar om redenen van rechtszekerheid voor alle gevallen waarin de nabestaande een gezamenlijke huishouding gaat voeren, de uitkeringsgevolgen daarvan aanvaardt, maar waarbij vervolgens de gezamenlijke huishouding binnen korte tijd weer beëindigd wordt." Uit deze alinea kan de rechtbank niet anders dan afleiden dat de nabestaandenuitkering herleeft in alle gevallen waarin sprake is van een gezamenlijke huishouding die binnen zes maanden wordt beëindigd. De rechtbank concludeert dat noch in de wetstekst - die uit oogpunt van rechtszekerheid in beginsel beslissend is - noch in de MvT een uitzondering wordt gemaakt voor gevallen waarin de gezamenlijke huishouding eindigt door overlijden, doch integendeel in de memorie van toelichting expliciet staat dat de herlevingsperiode uit oogpunt van rechtszekerheid geldt voor alle gevallen waarin de gezamenlijke huishouding eindigt. Voor de door verweerder gegeven uitleg van art. 16.3 Anw vindt de rechtbank dan ook onvoldoende steun in de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis. De verwijzing naar de laatste volzin van blz. 6 van de MvT leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel nu deze zin ziet op de (tijdelijke) overgangsregeling van art. 67 Anw en niet op art.16.3 Anw. Laatstgenoemd artikellid geeft aanspraak op (herleving van) een nabestaandenuitkering, los van het overgangsrecht. Verweerder heeft nog aangevoerd dat eiseres geen aanspraak kan maken op art. 16.3 Anw omdat door het overlijden van de heer B ingevolge art. 15 van de Anw een nieuw recht op een nabestaandenuitkering is ontstaan en dit nieuwe recht voorgaat op herleving van het oude recht. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. In de Anw is een dergelijke regel niet neergelegd en ook overigens heeft verweerder geen rechtsregel aangewezen op grond waarvan dit uitgangspunt in dit geval zou gelden. Het systeem van de Anw dwingt naar het oordeel van de rechtbank niet tot deze uitleg van verweerder. De rechtbank concludeert dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat art. 16.3 Anw niet ziet op die situaties waarin sprake is van beëindiging van een gezamenlijke huishouding door overlijden. Beroep gegrond. Sociale Verzekeringsbank, verweerder. mr. Kok

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen