Rb. Assen 29 juli 2010, ECLI:NL:RBASS:2010:BV1596
Vrijspraak De verdachte dient van het tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht. De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het propje niet van hem afkomstig is en dat het op de bijrijderstoel in de auto aangetroffen valse geld niet van hem is, dat hij dit geld niet eerder heeft gezien en dat hij niet weet hoe dit geld in de auto is terecht gekomen. Met betrekking tot het aantreffen van het propje heeft verdachte blijkens het proces-verbaal d.d. 2 mei 2010 tijdens zijn eerste verhoor ontkend dat hij een propje heeft weggegooid, in het tweede verhoor d.d. 3 mei 2010 heeft hij verklaard dat het propje misschien uit zijn broekzak is gevallen toen hij naar zijn telefoon zocht terwijl hij ter terechtzitting d.d 27 juli 2010 heeft verklaard dat hij geen propje in zijn broekzak had en dat hij niet weet waar het vandaan komt en dat er misschien wel helemaal geen propje was. De rechtbank volgt verdachtes ontkennende verklaring met betrekking tot het aantreffen van het propje niet en overweegt dat zij in dit kader uitgaat van het ambtsedige proces-verbaal van de drie verbalisanten, alsmede van de verklaring van [passagier] die een van de verbalisanten aan verdachte heeft horen vragen: “Wat gooi jij daar weg?” en “Waarom gooi jij dat geld weg?” De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van die verklaringen te twijfelen en gaat er dus van uit dat verdachte het propje heeft weggegooid en daarmee voorhanden heeft gehad. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat verdachte ook de in de auto aangetroffen bankbiljetten voorhanden heeft gehad. Gelet op de hiervoor beschreven feitelijke gang van zaken op 2 mei 2010 is verdachte als eerste uit de auto gestapt. [Passagier] zat op dat moment nog op de bijrijderstoel. Verdachte kan het geld dus niet op die bijrijderstoel hebben neergelegd. [Passagier] heeft verklaard dat hij niet heeft gemerkt dat er iets op zijn zitting lag toen hij instapte bij verdachte. In elk geval maken voornoemde feiten en omstandigheden dat naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte 178, althans meerdere, vervalste bankbiljetten van 100 euro en 200 euro in voorraad heeft gehad met het oogmerk om die als echt en onvervalst uit te geven of te doen geven. Verdachte dient derhalve van het tenlastegelegde te worden vrijgesproken.
De uitspraak op rechtspraak.nl