Rb. Assen 24 november 2009, ECLI:NL:RBASS:2009:BK4226
De wetgever heeft een wettelijk kader geschapen om internet providers te bewegen beledigende teksten op websites van hun cliënten te verwijderen. De doelstelling van dit wettelijke kader is (ook) te voorkomen dat internet providers overgaan tot het toepassen van preventieve censuur, dat het recht op vrije meningsuiting zou kunnen aantasten, althans beknotten. Evident is dat bij toepassing van de wetgeving in onderhavige zaak de benodigde machtiging van de rechter-commissaris ontbreekt. Instemming met het standpunt van de officier van justitie zou er toe leiden dat dit door de wetgever ingestelde wettelijke kader niet wordt gevolgd en dat de rechtbank op de stoel van de wetgever gaat zitten. Dit zou er toe leiden dat de verdachte wordt geconfronteerd met een strafrechtelijke vervolging terwijl het wettelijke systeem dat niet toestaat. De officier van justitie kan indien hij in die situatie tot vervolging overgaat zelf bepalen dat er wel en wat er niet gepubliceerd wordt, zonder dat er door de machtiging van de rechter-commissaris een bepaalde -inhoudelijke- waarborg aan gekoppeld is. Daarmee is eveneens niet voldaan aan de voorwaarde van een rechterlijke uitspraak uit artikel 12, 3e lid van de Europese Richtlijn inzake elektronische handel (Richtlijn 2003/31/EG, PbEG L 178). Het ligt op de weg van de wetgever om -indien hij dit aangewezen acht- de door de officier van justitie gestelde onvolkomenheden in de geldende wetgeving te herstellen.
De uitspraak op rechtspraak.nl