Rb. Assen 27 oktober 2009, ECLI:NL:RBASS:2009:BK1277
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de wetsgeschiedenis en doel en strekking van het middel pseudo-koop, de hierboven geciteerde doelstelling van het onderhavige onderzoek niet passend is bij het middel pseudo-koop. Ook de wijze waarop de pseudo-koop vervolgens is gerealiseerd komt in strijd met de toepassingsmogelijkheden van dit bijzonder opsporingsmiddel. Er is derhalve sprake van een schending van strafvorderlijke voorschriften in aanzienlijke mate. Een en ander brengt mee dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim tijdens het voorbereidend onderzoek. De rechtbank is van oordeel dat dit vormverzuim consequenties dient te hebben. De bijzondere opsporingsbevoegdheden maken in aanzienlijke mate inbreuk op elementaire rechten van (mogelijke) verdachten, zodat de regels rondom deze opsporingsbevoegdheden strikt dienen te worden nageleefd. Gelet op het feit dat een belangrijk strafvorderlijk voorschrift door de onrechtmatige bewijsgaring in aanzienlijke mate is geschonden, is de rechtbank van oordeel dat met toepassing van artikel 359a Sv het vormverzuim bewijsuitsluiting tot gevolg dient te hebben.
De uitspraak op rechtspraak.nl