Rb. Assen 2 april 2008, ECLI:NL:RBASS:2008:BC8349
Vernietiging arbitraal vonnis? In deze zaak wordt de vernietiging gevorderd van een gewezen arbitraal vonnis, waarbij een maatschapscontract is beëindigd, met bepaling dat een van de maten de activiteiten zal voorzetten en aan de ander een uitkoopsom zal betalen. Gesteld wordt dat: 1. het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden, 2. het (dictum van het) arbitraal vonnis niet met redenen is omkleed, 3. het vonnis en de wijze waarop dat tot stand kwam in strijd met de openbare orde of goede zeden is. In artikel 1065 Rv zijn de vernietigingsgronden opgenomen. De rechtbank overweegt dat de rechter bij haar beoordeling terughoudendheid moet betrachten, in die zin dat de vernietigingsprocedure niet kan worden benut als een vorm van verkapt hoger beroep. Een inhoudelijke toetsing is in beginsel niet aan de orde. De burgerlijke rechter dient slechts in sprekende gevallen in te grijpen (zie onder meer Hoge Raad 9 januari 2004 NJ 2005/190). Voor wat betreft de grond, dat het vonnis niet met redenen is omkleed, geldt tevens dat een arbitraal vonnis slechts kan worden vernietigd indien een motivering ontbreekt en niet in gevallen van ondeugdelijke motivering. Weliswaar wordt met het ontbreken van een motivering op één lijn gesteld het geval dat een motivering is gegeven, maar waarin enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet te onderkennen valt, zoals door eiser is aangegeven. Echter, zoals in een onlangs gepubliceerd arrest van de Hoge Raad expliciet nader is gepreciseerd (22 december 2006, NJ 2008/4) moet de rechter ook dat criterium met de nodige terughoudendheid toepassen: vernietiging is alleen dan aan de orde als een arbitraal vonnis zo gebrekkig is gemotiveerd dat het met een geheel ongemotiveerd vonnis op één lijn moet worden gesteld. In het onderhavige geschil kan hetgeen is aangevoerd niet tot vernietiging leiden. De arbiters hebben zich aan hun opdracht gehouden en niet gezegd kan worden dat hun vonnis niet met redenen is omkleed. Waar de stellingen van eiser er op neerkomen dat hij zich niet met de beslissing van de arbiters kan verenigen, geldt dat de onderhavige procedure niet de strekking van een hoger beroep heeft.
De uitspraak op rechtspraak.nl