Rb. Assen 17 maart 2008, ECLI:NL:RBASS:2008:BC7380
Daar nadere regelgeving ter bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het geval van gelijktijdige samenloop tussen een WIA- en Waz-uitkering ontbreekt, dient de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld te worden aan de hand van het wettelijke arbeidsongeschiktheidsbegrip zoals dat is uitgewerkt in het op artikel 6, vierde lid, van de WIA en artikel 2, achtste lid, van de Waz gebaseerde Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. In dit verband dient een reële bepaling van de resterende verdiencapaciteit plaats te vinden en dient recht te worden gedaan aan de omvang van de maatmanfunctie. De rechtbank oordeelt dat de resterende verdiencapaciteit naar rato dient te worden toegerekend aan het WIA- respectievelijk het Waz-recht en maakt een eigen berekening.
De uitspraak op rechtspraak.nl