Rb. Assen 7 december 2001, ECLI:NL:RBASS:2001:AD7523
Woorden "ten aanzien van" in artikel XVI, tweede lid, van de Wet Boeten dienen op restrictieve wijze te worden uitgelegd. In bestuursrecht geldt de op de Awb berustende hoofdregel dat ten aanzien van besluiten in de zin van die wet de bestuursrechter bevoegd is. Art. XVI, tweede lid, van de Wet Boeten, betreft een uitzondering op die hoofdregel. Noch in die bepaling zelf, noch in geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling zijn concrete aanwijzingen aan te treffen voor een ruime aanleg van die bepaling. Derhalve dient de hoofdregel te gelden nu artikel XVI, tweede lid, van de Wet Boeten daarop geen expliciete uitzondering maakt. Dit betekent dat onder de werkingssfeer van art. XVI, tweede lid, van de Wet Boeten slechts die besluiten vallen, die vóór de inwerkingtreding van de Wet Boeten zijn bekendgemaakt. Onder die werkingssfeer vallen niet besluiten, die weliswaar voortbouwen dan wel teruggrijpen op een vóór de datum van inwerkingtreding van de Wet Boeten bekendgemaakt terugvorderingsbesluit maar op of na de datum van de inwerkingtreding van de Wet Boeten zijn bekendgemaakt. Nu het primaire besluit is bekend gemaakt op 15 november 20000 is de rechtbank bevoegd kennis te nemen van het onderhavige geschil. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Assen, verweerder. mrs. J.H. de Wildt, A.T. de Kwaasteniet, G.H. Morsink
De uitspraak op rechtspraak.nl