Rb. Assen 24 maart 2000, ECLI:NL:RBASS:2000:AA5577

Jaarstukken dienen niet ter bepaling van leeftijd van betrokkene, noch van de mate van arbeidsongeschiktheid, doch slechts tot bepaling tot welk bedrag de WAZ-uitkering betaald dient te worden. Intrekking met terugwerkende kracht en terugvordering van AAW/WAZ-uitkering (ex 18.1.d WAZ) nu jaarstukken niet tijdig zijn ingezonden. Rb.: Art. 18.1.d WAZ kan niet als grondslag voor de onderhavige intrekking dienen. Zij overweegt daartoe het volgende. O.g.v. 18 WAZ kan een uitkering worden ingetrokken, indien door de schending van een verplichting niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat. Op grond van het bepaalde in art. 19 WAZ bestaat geen recht op uitkering meer, indien: a. De verzekerde 65 jaar wordt en b. De arbeidsongeschiktheid eindigt of beneden de 25% is gedaald. Deze opsomming is limitatief. De jaarstukken kunnen niet dienen ter bepaling van de leeftijd van eiseres, noch van de mate van arbeidsongeschiktheid en kunnen derhalve niet leiden tot de conclusie dat geen recht op uitkering meer bestaat. Derhalve kan naar het oordeel van de Rb. niet gezegd worden, dat als gevolg van het niet (tijdig) indienen van de jaarstukken niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat. De jaarstukken dienen ertoe, om o.g.v. het bepaalde in art. 58 van de WAZ (voorheen art. 33 AAW) te beoordelen tot welk bedrag de uitkering betaald dient te worden. Het bestaan van een recht op uitkering is naar het oordeel van de Rb. een voorwaarde voor toepassing van art. 58 WAZ. Zulks blijkt reeds uit de tekst van dit artikel: 1. Indien de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid geniet, wordt, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 2, vierde lid, kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering: a. niet betaald ... b. ... betaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld ... De regeling van art. 58 WAZ is derhalve deze, dat recht bestaat op een WAZ-uitkering, de rechthebbende inkomsten verwerft, maar de arbeid waarmee die inkomsten worden verworven niet zodanig is, dat de rechthebbende hiernaar reeds moet worden "afgeschat". Het recht blijft onveranderd bestaan, doch bij de betaling van de uitkering wordt rekening gehouden met de verworven inkomsten. Eén en ander wordt eens te meer duidelijk door de plaats van de betreffende bepalingen in de WAZ. O.g.v. het bepaalde in Afdeling 1 van Hoofdstuk 3 wordt bepaald of er recht op uitkering bestaat en hoe hoog het recht op uitkering is. Afdeling 2 handelt over het geldend maken van het recht op uitkering en Afdeling 3, waarin art. 58 is geplaatst, is genaamd "De betaling van de uitkering". O.g.v. het bovenstaande, is de Rb. van oordeel dat verweerder het besluit de WAZ-uitkering van eiseres in te trekken, op een onjuiste grondslag heeft gebaseerd. Beroep terzake intrekking van de uitkering gegrond; intrekkingsbesluit vernietigd. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen (SFB Amsterdam), verweerder. mr. J.H. de Wildt

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen