Rb. Arnhem 31 oktober 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BY2263

Veroordeelde is op 26 september 2012 op een politierechterzitting veroordeeld tot een gedeeltelijke voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel. Daarbij is bevolen dat indien veroordeelde zich niet houdt aan de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel er telkens 7 dagen hechtenis zal worden toegepast. De maatregel was dadelijk uitvoerbaar (proces-verbaal van 26 september) en het vonnis is op tegenspraak gewezen. Op 5 oktober 2012 is veroordeelde aangehouden in verband met een overtreding van de vrijheidsbeperkende maatregel op 4 oktober 2012. De officier van justitie heeft hierop een vordering tenuitvoerlegging na opgelegde maatregel ex artikel 38x van het Wetboek van Strafrecht ingediend, welke op 5 oktober 2012 door de rechter-commissaris is afgewezen en veroordeelde onmiddellijk in vrijheid heeft gesteld. De rechter-commissaris gaf hierbij aan dat het vonnis niet was betekend en er zich geen andere stukken in het doissier bevonden waaruit blijkt dat veroordeelde op de hoogte zou zijn van het vonnis. De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris. Motivering: In casu gaat het niet om een verstekvonnis, maar om een vonnis dat op tegenspraak is gewezen. Het gestelde in artikel 366, tweede lid, sub c Wetboek van Strafvordering is van toepassing. Op grond van laatstgenoemd wetsartikel doet de officier van justitie geen mededeling van het vonnis nu zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting dan wel van de nadere terechtzitting de veroordeelde tevoren bekend was.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen