Rb. Arnhem 12 april 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BW2433

Uitschrijving van eisers briefadres uit de gemeentelijke basisadministratie inschrijving eiser van ‘adres onbekend’ naar een inschrijving op een zogeheten puntadres. Uit de gedingstukken en de toelichting van verweerder ter zitting is gebleken dat verweerder sinds 10 april 2008 het beleid voert dat bij het ontbreken van een woonadres tijdelijk een briefadres moet worden gekozen. Volgens dit beleid geldt een briefadres in beginsel slechts voor drie maanden, met een verlengingsmogelijkheid tot maximaal één jaar. Indien een betrokkene na de termijn van een jaar nog geen woonadres heeft maar wel in de gemeente verblijft, wordt de inschrijving gewijzigd in een puntadres. De Rb. is van oordeel dat de Wet GBA geen ruimte biedt voor het door verweerder gevoerde beleid. In art. 66 van de Wet GBA is een verplichting voor een ingezetene opgenomen om bij het ontbreken van een woonadres een briefadres op te geven. Art. 49 van de Wet GBA schept de verplichting voor verweerder om, wanneer een woonadres ontbreekt, een briefadres op te nemen, indien daarvan aangifte wordt gedaan. Een ingezetene moet bij gebrek aan een woonadres dus een briefadres kiezen en verweerder neemt dit briefadres na aangifte op in de gemeentelijke basisadministratie. In deze bepalingen is geen beperking opgenomen voor de tijdsduur van een inschrijving op een briefadres. De overige artikelen van de Wet GBA voorzien hierin evenmin, noch op zichzelf, noch in onderlinge samenhang bezien. De Rb. ziet dan ook geen ruimte voor het door verweerder gevoerde, de Wet GBA beperkende, beleid. Dat verweerder met het beleid beoogt onjuistheden en/of onduidelijkheden in de gemeentelijke basisadministratie te voorkomen maakt dit niet anders. Het voorgaande betekent dat het beleid in strijd is met de Wet GBA. Het bestreden besluit is gebaseerd op het in strijd met de wet gevoerde beleid.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen