Rb. Arnhem 27 september 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BV9411

Dwangsombesluit waarbij verweerder eiseres heeft gelast per direct te stoppen met het zonder vergunning brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam ten behoeve van de aanleg van een provinciale weg en het brengen van grond in een oppervlaktewaterlichaam ten behoeve van de aanleg van deze weg zonder de daartoe vereiste melding. Eiseres heeft, alvorens tot uitvoering van de werkzaamheden over te gaan, melding gemaakt van het toepassen van grond bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Maas en Waal. In geschil is allereerst of sprake was van het toepassen van grond in een oppervlaktelichaam. De Rb. stelt voorop dat, indien in het tussen de dammen gelegen gedeelte geen water zou hebben gestaan, sprake zou zijn geweest van landbodem ten aanzien waarvan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Maas en Waal het bevoegd gezag zou zijn geweest. Dat na het storten van de grond in het droge een duiker zou worden aangelegd, waardoor de watergang weer zou komen te stromen, doet hieraan niet af. De gestorte grond zou immers door het omhulsel van de duiker enerzijds, en de aan weerszijden van de gestorte grond aan te brengen leeflaag anderzijds, van dat water gescheiden blijven, zodat de gestorte grond ook nadien niet met een oppervlaktelichaam in contact zou komen te staan. Indien in het tussen de dammen gelegen gedeelte geen water zou hebben gestaan, had eiseres dus met de gedane melding kunnen volstaan. In dit geval was echter ten tijde van de controles en het handhavend optreden een watermassa in het tussengedeelte aanwezig. Omdat aangenomen mag worden dat door het storten van grond in de watermassa het water moet wijken en zal uitstromen in de watergang, zijnde een oppervlaktewaterlichaam, is de Rb. van oordeel dat ook deze watermassa voor de toepassing van de thans aan de orde zijnde regelgeving moet worden aangemerkt als een oppervlaktewaterlichaam. Nu eiseres voornemens was om in de watermassa, zijnde een oppervlaktewaterlichaam, grond te storten, had zij daarvan een melding bij verweerder moeten doen, omdat verweerder hiervoor op grond van art. 2, lid 3 van het Bbk het bevoegd gezag is. Aangezien eiseres dit heeft nagelaten, heeft zij art. 42, lid 1 van het Bbk overtreden. Verweerder was dan ook bevoegd om daartegen handhavend op te treden. (…) De Rb. is van oordeel dat sprake is van een grootschalige toepassing als bedoeld in art. 63, lid 1 van het Bbk. Uit dit artikel kan immers niet worden afgeleid dat een grootschalige toepassing niet deels betrekking kan hebben op landbodem en deels op een oppervlaktewaterlichaam; wel dat bij een grootschalige toepassing op landbodem andere eisen aan de kwaliteit van de grond of baggerspecie worden gesteld dan bij toepassing in een oppervlaktewaterlichaam. Het feit dat na het ontstaan van de watermassa in het afgedamde en drooggelegde gedeelte de grond niet langer op landbodem wordt toegepast, maar in een oppervlaktewaterlichaam, maakt niet dat geen sprake meer is van een grootschalige toepassing van grond in een wegconstructie. Het zal niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest om in deze gevallen bij grootschalige toepassingen voor wegconstructies de eisen voor een ’gewone’ toepassing op waterbodem te laten gelden, waarbij de waterbodem getest moet worden. Verweerders standpunt dat van een grootschalige toepassing van grond in een oppervlaktewaterlichaam geen sprake is, omdat de toepassing tijdelijk is, nu de gedempte watergang ten behoeve van het plaatsen van een duiker weer open wordt gegraven, volgt de Rb. niet, nu door eiseres is aangevoerd dat de duiker in droge grond wordt geplaatst en de gestorte grond in zijn geheel ter plaatse blijft. Dat de grond slechts tijdelijk wordt gebruikt, volgt de Rb. dus niet, nog daargelaten of een dergelijk tijdelijk gebruik zou betekenen dat van een grootschalige toepassing geen sprake kan zijn. Nu bij het storten van grond in de watermassa sprake is van een grootschalige toepassing van grond in een oppervlaktewaterlichaam, dient, gelet op art. 63, lid 1, aanhef en onder a sub iii, van het Bbk, de kwaliteit van de grond te voldoen aan de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in art. 55, lid 2, onderscheidenlijk de interventiewaarden. Hoewel de gebruikte grond voldoet aan de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie, is niet gebleken dat wordt voldaan aan de interventiewaarden. Dit is ook niet in geschil. Hieruit volgt dat niet is voldaan aan de eisen van art. 63, lid 1, aanhef en onder a sub iii, van het Bbk, zodat onverkort moet worden voldaan aan de eisen die in afdeling 2, paragraaf 1 en 2, worden gesteld. Evenmin is in geschil dat aan die eisen niet is voldaan nu geen onderzoek naar de kwaliteit van de waterbodem heeft plaatsgevonden. Dit betekent vervolgens dat op grond van art. 36, lid 2 onder a, van het Bbk, hoofdstuk 4 van het Bbk niet van toepassing is, zodat geen sprake is van een nuttige toepassing als bedoeld in art. 5, lid 1, aanhef en onder c, van het Bbk, zodat, gelet op het tweede lid van voormeld artikel, het verbod, bedoeld in art. 6.2, lid 1 van de Waterwet onverkort geldt. Nu eiseres zonder vergunning zand klasse industrie/ATM-materiaal in de watermassa, zijnde een oppervlaktewaterlichaam, heeft gestort, heeft zij art. 6.2, lid 1 van de Waterwet overtreden. Verweerder was dan ook bevoegd om daartegen handhavend op te treden. Ook was verweerder bevoegd om handhavend op te treden tegen het feit dat zand klasse industrie/ATM-materiaal via de geul in de watergang terecht is gekomen. Aan het voorgaande wordt toegevoegd dat de aan eiseres bij besluit verleende ontheffing van de Keur voor waterkeringen en wateren van Waterschap Rivierenland uitsluitend ziet op de waterkwantiteit, terwijl de Waterwet betrekking heeft op de waterkwaliteit. Het feit dat aan eiseres een keurontheffing is verleend, betekent dus niet dat geen sprake meer kan zijn van overtreding van de Waterwet en het Bbk.(…).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen