Rb. Arnhem 22 juni 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BR0169
Aansprakelijkheid bestuurder bij faillissement, art. 2:248 BW, onbehoorlijke taakvervulling. Het behoeft geen betoog dat als gevolg van die handelwijze van gedaagde sub 2 in de hoofdzaak – te weten het meenemen van administratie en commerciële gegevens van Pondac, het aanschrijven van relaties van Pondac met het verzoek om leveranties en betalingen aan Pondac op te schorten in verband met onenigheid tussen haar en haar medebestuurder gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, het leggen van beslag onder leveranciers op voorraden van Pondac en het aansluitend tussen gedaagden sub 1 en 2 in de hoofdzaak voeren van aan Pondac gerelateerde civiele procedures – de bedrijfsvoering van Pondac ernstig heeft belemmerd. Daarnaast duidt het feit dat gedaagde sub 2 in de hoofdzaakvoor haar persoonlijke vordering ten laste van Pondac onder Pondac’s leveranciers verschillende beslagen heeft gelegd er onmiskenbaar op dat zij haar persoonlijke belangen als crediteur van Pondac heeft laten prevaleren boven het belang van de vennootschap waarvan zij op dat moment één van de bestuurders was.
De uitspraak op rechtspraak.nl