Rb. Arnhem 29 maart 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BQ0118

Monumentenvergunning verleend voor herinrichting interieur kerkelijk rijksmonument de Maartenskerk te Doorn. Rechtbank: “Blijkens de bedoelde stukken vinden de aangevraagde en vergunde veranderingen van de inrichting van de Maartenskerk hun grondslag in de - blijkbaar aan verandering onderhevige - liturgische opvattingen van de PGD en vloeien deze veranderingen daar rechtstreeks uit voort. Eiseres heeft geen feitelijke argumenten naar voren gebracht op grond waarvan geoordeeld moet worden dat dat niet zo is, doch slechts argumenten ter ondersteuning van andere liturgische opvattingen, die niet leiden tot de thans aan de orde zijnde veranderingen van het kerkinterieur. De liturgische opvattingen van eiseres zijn in dit verband echter niet relevant; slechts in de dialoog die daarover binnen de kerkgemeenschap kan worden gevoerd, kunnen deze van belang zijn. Anders dan eiseres betoogt, moeten de belangen bij de vergunde veranderingen van het inwendige van de Maartenskerk dan ook als wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst in de Maartenskerk worden gekwalificeerd, die verweerder bij het nemen van zijn beslissing, gelet op artikel 18 van de Monumentenwet 1988, dient te respecteren, ook als zij zijn gebaseerd op veranderde liturgische opvattingen. De esthetische en liturgische opvattingen van eiseres spelen voorts een rol bij de beoordeling van de afweging door verweerder van het algemeen belang van de bescherming van het monument de Maartenskerk, in het bijzonder het behoud van het bestaande interieur, tegen het belang van de PGD om de door haar op grond van haar liturgische opvattingen gewenste veranderingen aan te brengen. Dienaangaande is echter geen grond aanwezig voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vergunde veranderingen ook uit een oogpunt van het belang van de bescherming van het monument niet onacceptabel zijn te achten. Daarbij is van betekenis hetgeen uit de hiervoor vermelde positieve deskundigenadviezen tot uitdrukking komt en hetgeen naar aanleiding daarvan in de aan de vergunning verbonden voorschriften (nrs. 8 en 9) is verwerkt met betrekking tot, kort gezegd, de inventarisatie en documentatie van de bestaande toestand van het interieur, de opslag van verwijderde elementen (banken en blakers) en het verplaatsen van het orgel. Voorts is in aanmerking genomen dat niet kan worden staande gehouden dat het hier om onomkeerbare ingrepen gaat. […] Evenmin valt in te zien dat sprake is van een situatie waarop in artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 ziet. Hetgeen eiseres in verband met het vorenstaande naar voren heeft gebracht - in het bijzonder de door haar gestelde gebreken wat betreft motivering, zorgvuldigheid en belangenafweging - treft derhalve geen doel. […]”

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen