Rb. Arnhem 17 februari 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BP5078

Wet op belastingen van rechtsverkeer. Inbrengvrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef, onderdeel e, onder 2, WBR. Anders dan de inspecteur betoogt, ligt naar het oordeel van de rechtbank noch in de tekst van de WBR, noch in artikel 5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer niet de eis besloten dat bij inbreng door een maat van zijn maatschapsaandeel in een besloten vennootschap verplicht ook het buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen van die maat moet worden ingebracht. Dat door deze interpretatie wellicht andere voorwaarden gelden voor de inbrengvrijstelling dan die welke kunnen worden gesteld aan de geruisloze inbreng onder de Wet IB 2001, is gerechtvaardigd op grond van de verschillen in het karakter van de twee heffingen en het karakter van daarbij geboden faciliteiten. Volgt gegrondverklaring van het beroep en vernietiging de opgelegde naheffingsaanslag.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen