Rb. Arnhem 3 augustus 2010, ECLI:NL:RBARN:2010:BN2280

1. Verwerping van het verweer dat op grond van artikel 126nf van het Wetboek van Strafvordering en het arrest van de Hoge Raad van 23 maart 2010 (LJN BK63331) de in het dossier aanwezige prints van beelden van beveiligingscamera’s van het bewijs moeten worden uitgesloten. De rechtbank volgt het standpunt zoals neergelegd in het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 3 juni 2010 (LJN BM6941). 2. Verwerping verweer dat de genoemde prints van dermate slechte kwaliteit zijn dat daarop door verbalisanten nooit een herkenning kan zijn gebaseerd. De rechtbank acht de herkenning van verdachte door de onderscheiden verbalisanten betrouwbaar. 3. De gebezigde werkwijze die uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen volgt, welke modus operandi in alle ten laste gelegde zaken telkens nagenoeg gelijk is, sterkt de rechtbank in de overtuiging dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. 4. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, zoals deze blijken uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, een en ander bezien in onderlinge samenhang en in (tijds)verband, van oordeel dat verdachte door aldus te handelen een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de ten laste gelegde zaken en dat er sprake was van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders, gericht op het stelen van bankpassen en het vervolgens opnemen van geldbedragen van de bij die bankpassen behorende bankrekeningen, dat van medeplegen kan worden gesproken. 5. Straf: gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen