Rb. Arnhem 29 december 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BL3059

Eiseres heeft verzocht om een overeenkomst ex artikel 13, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet op de rechtsbijstand met de raad van rechtbijstand aan te gaan. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de Wrb en de memorie van toelichting, het standpunt van verweerder dat slechts in het geval op een bepaald rechtsterrein een leemte in de rechtsbijstandverlening dreigt te ontstaan een overeenkomst wordt overgegaan, in redelijkheid niet als onjuist of onredelijk kan worden aangemerkt. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid kon weigeren om een overeenkomst aan te gaan met eiseres, zoals door haar gewenst. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit een uitoefening van verweerders taken van openbaar gezag, te weten de organisatie van de verlening van rechtsbijstand in het ressort en het toezicht op de uitvoering daarvan (artikel 7, eerste lid, van de Wrb) behelst. Gelet hierop heeft de hier bedoelde activiteit (het niet aangaan van de overeenkomst) geen economisch karakter dat de toepassing van (Europese) mededingingsregels zou kunnen rechtvaardigen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen