Rb. Arnhem 2 juni 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BJ1545

Zowel de tekst als de doelstelling van artikel 18b, tweede lid, van de Wml, brengen mee dat de verplichting om stukken te overleggen niet enkel geldt ten opzichte van aangetroffen personen die werkzaam zijn krachtens dienstbetrekking naar burgerlijk recht, maar evenzeer ten opzichte van alle op het bedrijf aangetroffen personen die werkzaamheden uitvoeren die kunnen gelden als voor het betreffende bedrijf normale verrichtingen. Indien personen werkend op het bedrijfsterrein worden aangetroffen en activiteiten uitvoeren die tot de gebruikelijke bedrijfsarbeid van de onderneming gerekend dienen te worden, is het bestaan van een zekere arbeidsrelatie tussen de ondernemer en de aangetroffen personen aannemelijk. Daarmee is de toepasselijkheid van artikel 18b, tweede lid, van de Wml gegeven. Het bepaalde in artikel 18b, tweede lid, van de Wml is niet in strijd is met de onschuldpresumptie ex artikel 6, tweede lid, van het (Europees) Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen