Rb. Arnhem 28 januari 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BH1585
Dat de verklaringen van eisers zijn aan te merken als partijgetuigenverklaringen zoals bedoeld in art. 164 lid 2 Rv, die omtrent de door hen te bewijzen feiten geen bewijs in hun voordeel opleveren, tenzij hun verklaringen strekken ter aanvulling van onvolledig ander, voldoende sterk bewijs. De eisen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (HR 25 april 2008, NJ 2008, 553). Die situatie doet zich hier voor. Nu sprake is van een verplichting van elk van deze (rechts-)personen tot vergoeding van dezelfde schade, zijn zij daartoe in beginsel hoofdelijk verbonden op grond van het eerste lid van deze bepaling. Wel zal, in verband met de hierna te bespreken 'eigen schuld' aan het ontstaan van het ongeval, bij het uitspreken van de hoofdelijke veroordeling van de gedaagden rekening moeten worden gehouden met het bepaalde in het tweede lid van art. 6:102 BW. Op grond daarvan moet art. 6:101 BW ten aanzien van de vergoedingsplicht van elk van de aansprakelijke (rechts-)personen afzonderlijk worden toegepast - dus met buiten beschouwing laten van het aandeel in het ontstaan van de schade van de medeaansprakelijke(n) - en komt aan eisers niet méér schadevergoeding toe dan waarop zij recht zouden hebben indien alle aan de zijde van de gedaagden geconstateerde verkeersfouten door één persoon zouden zijn gemaakt. Dit zal in de te geven beslissing tot uitdrukking dienen te komen.
De uitspraak op rechtspraak.nl