Rb. Arnhem 28 maart 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BC9426
Voor zover gedaagde stelt dat eiser niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen op grond van het feit dat door verstrekking van de NAW-gegevens een onomkeerbare situatie ontstaat, waarvoor een vordering in kort geding zich niet leent, dan kan deze stelling niet als juist worden aanvaard. Weliswaar is het zo dat een bevel om de onderhavige NAW-gegevens te verstrekken tot een onomkeerbare situatie zal leiden, maar dit komt echter vaker voor bij in kort geding gegeven voorzieningen en kan, indien de eisende partij een voldoende, rechtmatig en spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen heeft, op zich geen grond vormen om een dergelijke voorziening niet te treffen. Kernvraag die in dit kort geding dient te worden beantwoord is, of de handelwijze van gedaagden onrechtmatig is jegens eiser. Bij de beantwoording van deze vraag dient daarbij het volgende in ogenschouw te worden genomen. In een situatie als de onderhavige, waarin de ene werkgever de andere werkgever, die van dezelfde open kantoorruimte gebruik maakt, op de hoogte stelt van het feit dat een werknemer van de een een werkneemster van de ander lastig valt, is van onrechtmatig handelen in beginsel geen sprake indien de daaraan ten grondslag gelegde beschuldigingen niet a priori onjuist zijn, niet onnodig grievend zijn en met zoveel mogelijk concrete feiten zijn onderbouwd. De keerzijde hiervan is dat een dergelijke mededeling onder omstandigheden wel onrechtmatig kan zijn, indien de beschuldigingen lichtvaardig zijn gedaan of apert onjuist zijn en/of indien de beschuldigde door die mededeling onnodig veel schade wordt berokkend.
De uitspraak op rechtspraak.nl