Rb. Arnhem 8 november 2007, ECLI:NL:RBARN:2007:BB8207

Voor het uitoefenen van een (rechtsgeldig) retentierecht is ingevolge artikel 3:290 BW in de eerste plaats vereist dat de retentor direct of indirect de (naar verkeersopvattingen, wet en uiterlijke omstandigheden te beoordelen) feitelijke macht over de zaak uitoefent. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is daarvan hier geen sprake.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen