Rb. Arnhem 4 juli 2007, ECLI:NL:RBARN:2007:BB0141

Wat betreft het beroep op niet-ontvankelijkheid van de curator in zijn vordering overweegt de rechtbank het volgende. De gedaagden doen een beroep op HR 16 september 2005, NJ 2006, 311 (De Bont/Bannenberg). Daarin is onder meer overwogen dat een ‘faillissementscurator (bevoegd is) in geval van benadeling van schuldeisers door de gefailleerde voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers op te komen, waarbij, zoals de Hoge Raad voor het eerst in zijn arrest van 14 januari 1983 (NJ 1983, 597) heeft beslist, onder omstandigheden ook plaats kan zijn voor het geldend maken van een vordering tot schadevergoeding tegen een derde die bij die benadeling betrokken was, ook al kwam een dergelijke vordering uiteraard niet aan de gefailleerde zelf toe. De opbrengst van een zodanige door de curator in het belang van de gezamenlijke schuldeisers geldend gemaakte vordering valt,’ zo vervolgt de Hoge Raad, ‘evenals de opbrengst van een vordering tot vernietiging op de voet van de artikelen 42 e.v. Fw, in de boedel en komt derhalve de gezamenlijke schuldeisers ten goede in de vorm van een toename van het overeenkomstig de uitdelingslijst te verdelen boedelactief. Zijn bevoegdheid tot het geldend maken van dergelijke vorderingen ontleent de curator aan de hem in art. 68 lid 1 Fw gegeven opdracht tot beheer en vereffening van de failliete boedel.’

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen