Rb. Arnhem 5 april 2006, ECLI:NL:RBARN:2006:AY4094

In art. 259 Rv. is bepaald dat het verzet van een vonnis in kort geding moet worden gedaan bij de voorzieningenrechter. De verzetprocedure blijft dus (anders dan artikel 294 Rv. oud bepaalde) een kortgedingenprocedure en moet worden behandeld door de voorzieningenrechter. Dat betekent dat de rechtbank, aan wie de kortgedingenrechtspraak niet is opgedragen, niet bevoegd is van eht verzet kennis te nemen en dat de verzetdagvaarding ten onrechte tegen een reguliere rolzitting is aangebracht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen