Rb. Arnhem 27 oktober 2005, ECLI:NL:RBARN:2005:AU5535
Milieudelicten. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie op de voet van artikel 359a Sv komt slechts in uitzonderlijke gevallen voor toepassing in aanmerking. Onderzoek naar de juistheid van de feitelijke grondslag van het verweer achterwege kan worden gelaten nu het verweer in verband met wat daartoe is aangevoerd niet kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Nu geen sprake is van een expliciet kwaliteitsdelict, mag in beginsel worden aangenomen dat de norm zich richt tot een ieder en zeker tot een ieder die bij de verboden activiteiten betrokken is. Wat betreft laatstgenoemde betrokkenheid van verdachte bij de strafbare gedragingen overweegt de rechtbank bovendien dat aan verdachte is tenlastegelegd dat zij - in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht - medepleger was van de gepleegde strafbare feiten. Medeplegen van een kwaliteitsdelict wordt in de rechtspraak mogelijk geacht. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte veegvuil of andere afvalstoffen buiten de inrichting op de bodem heeft gebracht.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 23 Sr
- Artikel 24 Sr
- Artikel 47 Sr
- Artikel 51 Sr
- Artikel 62 Sr
- Artikel 91 Sr
- Artikel 359a Sv
- Artikel 1a WED
- Artikel 2 WED
- Artikel 6 WED
- Artikel 59 Wet op de Ruimtelijke Ordening
- Artikel 61 Wet op de Ruimtelijke Ordening
- Artikel 6 Wbb
- Artikel 8 Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming
- Artikel 11 Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming