Rb. Arnhem 1 juni 2005, ECLI:NL:RBARN:2005:AU0510
Faillissementswet; VGZ heeft ter comparitie verklaard dat zij haar vordering wil wijzigen in een vordering tot een verklaring voor recht. Het uitgangspunt van de Faillissementswet is dat crediteuren hun vorderingen ter verificatie kunnen indienen en dat de rechtbank beslist omtrent al dan niet verificatie in een renvooiprocedure (art. 122 Fw.) of bij verzet tegen de uitdelingslijst (art. 186 Fw.). In zijn arrest van 8 november 1991 (NJ 1992,174, LJN-nummer ZCO401) heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat met de strekking van de in de Faillissementswet met betrekking tot de verificatie getroffen voorzieningen niet onverenigbaar is dat in een buiten de in die wet geregelde procesgang gevoerd geding tussen de curator en een derde die ook een vordering op de gefailleerde pretendeert, wordt beoordeeld en beslist of de vordering van die derde van dien aard is dat zij niet geverifieerd behoort te worden. In de onderhavige zaak is geen sprake van zodanige bijzondere omstandigheden dat een uitzondering op dat hierboven weergegeven uitgangspunt van de Faillissementswet is gerechtvaardigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl