Rb. Arnhem 30 maart 2005, ECLI:NL:RBARN:2005:AT4648
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de bevindingen van de deskundige geen aanleiding geven het eerdere oordeel van de rechtbank, dat de door Rodenburg geleverde Rododendrons van aanvang aan ziek moeten zijn geweest, te herzien. Gedaagde 1 heeft zich op zijn opschortingsrecht beroepen ten aanzien van het door hem te betalen restant van de facturen zolang Rodenburg zijn verplichtingen niet is nagekomen en de schade aan de Rododendrons (en de bodem) niet is hersteld. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat gedaagde 1 op grond van art. 6:53 BW in beginsel bevoegd is de nakoming van zijn verplichting tot betaling van de facturen op te schorten. Uit de stellingen van partijen volgt dat tussen hen vast staat dat nakoming niet blijvend onmogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde 1 niet bevoegd is de gehele betaling van het nog door hem verschuldigde op te schorten, maar dat er slechts voldoende samenhang is met dat gedeelte van de vordering van rodenburg dat betrekking heeft op leveren en planten van de Rododendrons.
De uitspraak op rechtspraak.nl