Rb. Arnhem 9 juni 2004, ECLI:NL:RBARN:2004:AP3670

Geldlening; Gedaagde sub 2 heeft geen verweer gevoerd. In beginsel kan de vordering tegen haar dan ook worden toegewezen, zij het met inachtneming van het navolgende. Uit de stellingen van X volgt uitsluitend dat hij het geld indertijd aan beide gedaagden - die toen in gemeenschap van goederen waren getrouwd - heeft geleend, maar niet dat hij toen met hen heeft afgesproken dat beiden hoofdelijk voor de terugbetaling van het bedrag van f 30.000,00 aansprakelijk zouden zijn. Desgevraagd heeft hij ter comparitie verklaard dat hier in 1993 ook niet over is gesproken. Dit betekent dat voor de aansprakelijkheid de hoofdregel van 6:6 BW geldt, te weten dat beide schuldenaren ieder voor de helft jegens X aansprakelijk zijn. Het feit dat er indertijd sprake is geweest van een gemeenschapsschuld als bedoeld in artikel 3:192 BW en de schuld dus op de goederen van de gemeenschap kon worden verhaald, maakt dit niet anders. Aan de huwelijksgemeenschap is inmiddels een einde gekomen en na de ontbinding daarvan zijn beide ex-echtelieden ingevolge artikel 1:102 BW jegens X dan ook ieder voor de helft aansprakelijk, zoals zij dat gedurende hun huwelijk ook waren. De omstandigheid dat gedaagden bij de verdeling blijkbaar hebben afgesproken dat alle baten en lasten van de huwelijksgemeenschap voor Y zouden zijn, doet aan het voorgaande niet af omdat deze onderlinge afspraak hun externe aansprakelijkheid niet raakt. Dit betekent dat de vordering tegen gedaagde sub 2 op grond van de door X ingenomen stellingen dan ook slechts kan worden toegewezen tot een bedrag van f 15.000,00, zonder dat zij hoofdelijk aansprakelijk wordt voor betaling van het overige. Wanneer X slaagt in het bewijs van zijn stelling dat hij het geld in 1993 heeft uitgeleend, moet het er voor worden gehouden dat het geld zowel aan Y als aan gedaagde sub 2 is geleend, zodat beiden op grond van de hoofdregel van artikel 6:6 BW jegens X ieder voor de helft aansprakelijk zijn voor de terugbetaling. Ook hier geldt dat er geen grond is om aan te nemen dat gedaagden voor de terugbetaling hoofdelijk aansprakelijk zijn nu niet is gesteld of gebleken dat de partijen dat bij het aangaan van de overeenkomst hebben afgesproken. Ook Y zal in dat geval veroordeeld worden tot terugbetaling van f 15.000,00. Met betrekking tot de termijn van terugbetaling zijn de partijen in 1993 kennelijk niets overeengekomen. Uitgangspunt is dan dat het geld moet worden terugbetaald wanneer de uitlener dat verlangt, waarna de lener op de voet van artikel 7A:1797 BW in rechte uitstel van terugbetaling kan vorderen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen