Rb. Arnhem 24 maart 2004, ECLI:NL:RBARN:2004:AP1363
Y voert aan dat Z het paard bij hem heeft gestald en dat hij slechts houder voor Z is. X dient dan ook haar vordering niet tegen hem, maar tegen Z in te stellen. Als houder heeft hij met het geschil over de eigendom niets te maken. Y verzoekt de rechtbank de hoofdzaak en de bijzaak te voegen en hem “er tussen uit te laten vallen”. Nu hier sprake is van een geval van vrijwaring wegens uitwinning van een goed als bedoeld in artikel 212 Rv en Y en Z uitdrukkelijk hebben verzocht dat Z het verweer in de hoofdzaak overneemt, zal de rechtbank dit verzoek toestaan. Alle partijen zijn het er over eens dat Y slechts houder is van het paard en dat X en Z elkaar de eigendom daarvan betwisten. Derhalve zal de procedure in de hoofdzaak verder kunnen worden gevoerd tussen X en Z, met dien verstande dat Y overeenkomstig het bepaalde in artikel 212 Rv partij in het geding blijft.
De uitspraak op rechtspraak.nl