Rb. Arnhem 17 maart 2004, ECLI:NL:RBARN:2004:AO9357

In het kader van het oordeel over de bevoegdheid is van belang of op de overeenkomst tussen de partijen de algemene voorwaarden van Stender van toepassing zijn, zoals Stender heeft gesteld en Sluiter cs hebben betwist. Die vraag dient te worden beantwoord aan de hand van het materiële recht dat volgens het internationale privaatrecht van de aangezochte rechter op de onderhavige overeenkomst van toepassing is. Dat recht kan allereerst worden gevonden in de bepalingen van het Weens Koopverdrag van 11 april 1980 (Trb 1981, 184 en 1986, 61). Omdat in de genoemde bepalingen van het Weens Koopverdrag de toepasselijkheid van algemene voorwaarden niet uitdrukkelijk is geregeld zal de vraag daarnaar moeten worden beantwoord aan de hand van het verder toepasselijke materiële recht (artikel 7 lid 2 Weens Koopverdrag). Dat is ingevolge artikel 4 van het Verdrag van 19 juni 1980 (Trb 1980, 156 en 1991, 109, hierna EVO) het recht van het land waarmee de overeenkomst het nauwst is verbonden. De overeenkomst wordt vermoed het nauwst verbonden te zijn met het land waar Stender als de partij die de kenmerkende prestatie (het leveren van de potgrond) moest verrichten, op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar hoofdbestuur had (artikel 4 lid 2 EVO). Het moet er voor worden gehouden dat de overeenkomsten tussen de partijen zijn neergelegd in de beide hiervoor genoemde brieven. Daarin wordt door Stender niet verwezen naar haar algemene voorwaarden. Daaruit volgt dat Stender bij het sluiten van de overeenkomst de toepasselijkheid van haar algemene voorwaarden niet heeft bedongen. Dat is niet alleen vereist volgens de bepalingen in het Weens Koopverdrag, maar ook naar Duits recht (par. 305 Abs. 2 BGB).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen