Rb. Arnhem 16 juni 2003, ECLI:NL:RBARN:2003:AG0158

De rechtbank acht het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Er is vast komen te staan dat er voldoende ruimte was voor de doorvaart en tevens dat de aanvankelijk door verdachte voorliggende koers ieder gevaar voor aanvaring uitsloot. Verdachte heeft door het niet tonen van het flikkerlicht zoals bedoeld in artikel 6.04, derde en vijfde lid van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 bij de overige aanwezige scheepvaart, waaronder de “Veerhaven VII”, de indruk gewekt dat hij voornemens was de “Veerhaven VII” bakboord op bakboord voorbij te varen. Dit wordt mede ondersteund door het feit dat door de “Veerhaven VII” geen flikkerlicht werd getoond. Het is dan ook volkomen begrijpelijk dat de “Veerhaven VII” vervolgens stuurboord uit is gegaan, immers was er voor de “Veerhaven VII” geen reden om aan te nemen dat men af diende te wijken van de volgens artikel 6.04 van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 geldende hoofdregel bij het naderen van schepen op een tegengestelde koers. De veronderstelling van verdachte dat “de Veerhaven VII” aan verdachte de ruimte liet om stuurboord op stuurboord voorbij te varen is dan ook onjuist. Nu niet is vast komen te staan dat er aanvankelijk, voordat verdachte ervoor koos om bakboord uit te gaan, gevaar voor aanvaring bestond, en nu is gebleken dat er voor de overige scheepvaart géén aanleiding bestond om af te wijken van het in het Rijnvaartpolitiereglement bepaalde, kan het verweer van de raadslieden van verdachte dat er sprake was van een situatie waarin verdachte diende te handelen zoals bepaald in artikel 1.05 van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 niet slagen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen